Wie zal er dyslexie ontwikkelen?

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op de Lexima nieuwsbrief

‘From learning to read, to reading to learn’

Bron: Elsje van Bergen is op 14 februari 2013 gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam.

Wie zal er dyslexie ontwikkelenVan Bergen onderzocht de resultaten van een onderzoek waarbij kinderen met en zonder familiair risico op dyslexie vanaf de geboorte negen jaar lang werden gevolgd. Na het volgen van enkele jaren onderwijs werd vastgesteld welke kinderen dyslexie hadden ontwikkeld en werden deze kinderen retrospectief vergeleken met de kinderen die geen dyslexie ontwikkelde en de controlegroep. 

Het onderzoek

In de resultaten van het onderzoek worden drie groepen met elkaar vergeleken. Twee groepen met een familiair risico (FR) op dyslexie, waarbij de ene groep wel en de andere groep geen dyslexie heeft ontwikkeld en een controlegroep zonder familiair risico op dyslexie. Kinderen werden in de FR groep ingedeeld als bij tenminste één ouder en familielid dyslexie was geconstateerd. Naast het familiair risico is tevens gekeken naar omgevingsvariabelen, zoals het niveau van de geletterdheid in de omgeving (o.a. samen lezen, cognitieve stimulatie, hoeveel ouders lezen en schrijven, abonnement op de krant en aantal boeken) dat ouders thuis aanbieden voordat kinderen naar school gaan.

Resultaten

FR kinderen waarbij later dyslexie werd geconstateerd blijken als kleuter al een zwakke letterkennis te hebben. Zo blijkt bijvoorbeeld dat FR kinderen met dyslexie slechter presteren op taken als letterkennis en snelbenoemen in vergelijking met de twee andere groepen. De FR kinderen zonder dyslexie presteren op deze taken net iets minder goed dan de controlegroep en beter dan de FR kinderen met dyslexie. In vergelijking met de controlegroep bleken FR kinderen bij wie later dyslexie werd vastgesteld op 4 jarige leeftijd zwakker te presteren op onder andere fonologisch bewustzijn en snelbenoemen. Deze taken bleven ook in groep en 4 en 5 zwak. FR kinderen die geen dyslexie ontwikkelen vertonen op sommige vaardigheden milde tekorten in vergelijking met de controlegroep. Ook ouders spelen een belangrijke rol. Ouders van de FR kinderen met dyslexie blijken zwaarder dyslectisch dan de FR kinderen waarbij later geen dyslexie werd geconstateerd. Ook het leesniveau van de ouder zonder dyslexie bij een FR kind blijkt relevant. De betere leesvaardigheid van ouders van FR kinderen zonder dyslexie suggereert dat deze kinderen een lagere genetische aanspraak maken op dyslexie. Uit het onderzoek komt geen duidelijk bewijs naar voren voor effecten van geletterdheid van de thuisomgeving op de leesuitkomsten van kinderen.

Ten slotte beschrijft Elsje van Bergen de continuïteit van de risicoverdeling, waarbij de cognitieve vaardigheden van de ouders indicatief is voor de positie van hun kinderen op het risicocontinuüm. Kinderen in families waarbij beide ouders moeilijkheden ervaren met lezen en schrijven, hebben 2,5 keer zoveel kans om dyslexie te ontwikkelen dan kinderen waarvan één ouder moeilijkheden ervaart.

Samenvatting:

Wie wordt dyslectisch? - Cognitieve voorlopers in ouders en kinderen

Bij kinderen met dyslexie gaat het lezen moeizaam en traag. Dyslexie heeft een negatieve invloed op zowel schoolprestaties als het beroepsniveau. Het is daarom van belang om de oorzaken van dyslexie beter te begrijpen.

Onderzoek met mono- en dizygote tweelingen heeft uitgewezen dat dyslexie in sterkte mate erfelijk is. Dit past ook bij de waarneming dat dyslexie binnen bepaalde families veel voorkomt. Familiaire risico studies maken gebruik van dit feit. Zulke studies volgen de ontwikkeling van risicokinderen: kinderen bij wie dyslexie in de familie voorkomt. Wie van deze risicokinderen dyslexie ontwikkeld hebben kan worden vastgesteld nadat ze een paar jaar leesonderwijs hebben gehad. Vervolgens kunnen deze kinderen retrospectief worden vergeleken met risicokinderen zonder dyslexie en met zich normaal ontwikkelende kinderen die geen familiair risico dragen. Toonden de kinderen met latere dyslexie al cognitieve tekorten voordat ze leerden lezen? Op deze manier maken familiaire risico studies het mogelijk voorlopers van dyslexie op te sporen.

Er zijn verschillende modellen geformuleerd waarin dyslexie toegeschreven wordt aan een enkelvoudig cognitief tekort, maar geen van deze modellen kan het brede scala van met dyslexie geassocieerde kenmerken verklaren. Pennington heeft een model ontwikkeld waarin ontwikkelingsstoornissen (zoals dyslexie) verklaard worden uit een combinatie van onderliggende cognitieve factoren waarop een individu in meer of mindere mate uitvalt. Zijn model –het multiple deficit model– is afgebeeld in Figuur 1.1 in Hoofdstuk 1. Sommige van die cognitieve tekorten zijn specifiek voor één bepaalde stoornis en sommige worden gedeeld met andere ontwikkelingsstoornissen.  In dit proefschrift wordt de specificiteit van voorlopers van leesvaardigheid bestudeerd door te onderzoeken in hoeverre zij ook rekenvaardigheid voorspellen.

Gebaseerd op bevindingen van etiologische studies bevat het multiple deficit model genetische en omgevingsfactoren die de kans op het ontwikkelen van een stoornis beïnvloeden, in dit geval dyslexie. Uit deze multifactoriële etiologie volgt dat dyslexie niet een alles-of-niets conditie is, maar dat de vatbaarheid voor, of het risico op het ontwikkelen van dyslexie continu verdeeld is. In het huidige proefschrift wordt beargumenteerd dat een familiaire risico studie de mogelijkheid biedt om deze implicatie te toetsen. Aangezien ouders hun genen doorgeven aan hun kinderen en de omgeving van hun kinderen creëren, valt het te verwachten dat de leesvaardigheid van ouders kan worden gezien als een indicator voor het risico op dyslexie dat kinderen lopen.

In het kort zijn de doelen van dit proefschrift: 1. Het onderzoeken van cognitieve voorlopers van dyslexie (en hun specificiteit) voordat het leesonderwijs begint.

2. Toetsen of het cognitieve profiel van ouders indicatief is voor het risico dat een kind loopt op dyslexie.

3. Bijdragen aan het toetsen, specificeren en uitbreiden van het multiple deficit model.

Programme Dyslexie NWOZoals hierboven genoemd maakten we gebruik van een familiair risico design om deze doelen na te streven. De gerapporteerde studies zijn onderdeel van het Dutch Dyslexia Programme . Als kinderen ten minste één dyslectische ouder en een ander dyslectisch familielid hadden werden ze als hoog risico beschouwd. De ouders van de laag-risico kinderen waren beiden gemiddelde tot goede lezers. Twee onafhankelijke steekproeven werden gevolgd: de Amsterdamse (N = 79) en de nationale steekproef (N = 212). In beide steekproeven werden drie groepen vergeleken: 1) risicokinderen met dyslexie, 2) risicokinderen zonder dyslexie, en 3) controle kinderen (d.w.z., kinderen met een laag risico en zonder dyslexie). Ongeveer een derde van de risicokinderen ontwikkelde dyslexie.

In de Amsterdamse steekproef (Hoofdstuk 2) werden de kinderen van groep 2 tot en met groep 7 gevolgd. De risicokinderen die later dyslectisch werden hadden als kleuter een zwakke letterkennis. Daarnaast scoorden ze zwak op een cognitieve maat genaamd snelbenoemen. Snelbenoemen is de vaardigheid om snel namen van symbolen uit het lange termijn geheugen op te halen. Dit wordt gemeten met het hardop benoemen van een lijst bekende items, zoals kleuren of plaatjes. De risicokinderen zonder dyslexie presteerden beter op letterkennis en snelbenoemen, maar wel net iets onder het niveau van de controle kinderen. Voor de latere leesontwikkeling werd hetzelfde patroon gevonden. Een belangrijke bevinding had betrekking op de dyslectische ouders: de ouders van wie de kinderen dyslectisch werden waren zwaarder dyslectisch dan de ouders van wie de kinderen niet dyslectisch werden. 

De hoofdstukken 3, 4 en 5 zijn gericht op de nationale steekproef en rapporteren de ontwikkeling van 4 tot 9 jaar. Op 4-jarige leeftijd werd het IQ bepaald en aan het eind van de kleuterschool werden de voorschoolse vaardigheden in kaart gebracht. De onderzochte voorschoolse vaardigheden bestonden uit letterkennis, snelbenoemen en fonologisch bewustzijn. Fonologisch bewustzijn is de vaardigheid om klanken in gesproken woorden te herkennen en te manipuleren. In de kleuterklas kun je dit meten met vragen als: “Welke klanken zitten er in ‘kat’?” Met als antwoord: “/k/ /a/ /t/”. Vergeleken met de controle kinderen scoorden de risicokinderen bij wie later dyslexie werd vastgesteld zwak op alle IQ taken en voorschoolse vaardigheden. De andere risicokinderen lieten milde tekorten zien op verbaal IQ en fonologisch bewustzijn, maar niet op nonverbaal IQ, letterkennis en snelbenoemen. Analyse van de relaties tussen deze voorlopers en het latere lezen en rekenen wees uit dat nonverbaal IQ en snelbenoemen gerelateerd zijn aan beide schoolvaardigheden, terwijl de andere voorlopers meer specifiek zijn voor het lezen. Risicokinderen met dyslexie bleven in groep 4 en 5 problemen houden met fonologisch bewustzijn en snelbenoemen, en liepen daarnaast achter met lezen, spellen en rekenen. De risicokinderen zonder dyslexie waren op die leeftijd matig (maar niet onvoldoende) in fonologisch bewustzijn, lezen en spellen. Een belangrijk resultaat was dat de bevinding in de Amsterdamse steekproef van verschillen in leesvaardigheid tussen de dyslectische ouders van de twee risicogroepen kon worden gerepliceerd en uitgebreid: ook snelbenoemen van de ouders maakte onderscheid tussen deze groepen. Daarnaast was een opvallend resultaat dat de ouder zonder dyslexie ook zwakker las wanneer het kind dyslectisch werd. Wat betreft de invloed van de omgeving was er echter in zowel de Amsterdamse als de nationale steekproef geen duidelijk bewijs voor effecten van geletterdheid van de thuisomgeving op de leesuitkomst van kinderen.

In Hoofdstuk 6 worden de resultaten van de verschillende studies samengevat en worden theoretische implicaties besproken. Om terug te komen op het multiple deficit model, één van de voorspellingen van dit model is dat de risicoverdeling voor een gegeven stoornis continu is. Zowel de bevindingen op kind- als ouderniveau ondersteunen deze voorspelling. Beargumenteerd wordt dat de cognitieve vaardigheden van ouders indicatief zijn voor de positie van hun kinderen op het risicocontinuüm. In Hoofdstuk 6 wordt toegewerkt naar de specificatie van het multiple deficit model voor dyslexie. Afgesloten wordt met de introductie van een uitgebreider model: het intergenerationele multiple deficit model (zie Figuur 6.1), waarin de effecten van ouderkenmerken zijn toegevoegd. Tot slot worden enige aanbevelingen voor verder onderzoek gegeven.

Lees meer >>