De erfelijkheid van dyslexie

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op de Lexima nieuwsbrief

Bron: Lexima Magazine, jaargang 2019, Dr. Elsje van Bergen 

Ten eerste over die verschillen. Neem een test voor technische leesvaardigheid, bijvoorbeeld de EMT. De EMT is een woordenlijst waarvan je in één minuut zoveel mogelijk woorden moet oplezen. Eind groep 4 leest de 10% snelste lezers al 65 woorden of meer. De 10% zwakste lezers daarentegen haalt dat niveau van 65 woorden ook in de brugklas nog niet, en zal dat misschien zelfs als volwassene niet halen.

Ten tweede over die erfelijkheid. Technische leesvaardigheid van Nederlandse kinderen is ongeveer 80% erfelijk. Dat betekent dat 80% van de verschillen tussen kinderen in leesvaardigheid is toe te schrijven aan genetische verschillen tussen kinderen en 20% aan verschillen in hun omgeving. Let op, het gaat hier om verschillen tussen kinderen. Voor alle kinderen geldt dat ze hebben leren lezen door stimulatie vanuit de omgeving, meestal onderwijs. Sterker, door goed leesonderwijs komen juist genetische verschillen tussen kinderen tot uiting en bepalen zij grotendeels waarom de een vliegensvlug leest en de ander blijft haperen.
Ook al weten we dat leesvaardigheid en dyslexie in hoge mate erfelijk zijn, er bestaat geen DNA test om iemands erfelijke aanleg te testen. Het ziet ernaar uit dat er duizenden genen zijn die allemaal een piepklein beetje het risico op dyslexie beïnvloeden. De beste indicator voor erfelijke aanleg (of familiair risico) is vooralsnog of er dyslexie in de familie voorkomt.

Het is belangrijk te noemen dat kinderen met een hoog familiair risico niet perse leesproblemen krijgen. Kleuters die én weinig letters kennen én een familiair risico hebben, hebben echter niet genoeg aan het reguliere aanbod. Recent onderzoek laat zien dat deze groep veel profijt heeft van een interventieprogramma zoals Bouw!. Bouw! is een computergestuurd interventieprogramma dat risicoleerlingen in groep 2 tot en met groep 4 extra hulp biedt bij leesvaardigheid. Voor het onderzoek werden kleuters geselecteerd die halverwege groep 2 weinig letters kenden. Bij de helft van de kinderen kwam dyslexie voor in de familie en deze kinderen liepen daarmee een dubbel risico. Beide groepen oefenden 1½ tot 2 jaar met Bouw! en profiteerden daar enorm van. In vergelijking met kinderen die niet aan de interventieconditie waren toegewezen bleek dat door oefenen met Bouw! meer dan de helft van de dyslexiediagnoses werd voorkomen.
Wel moesten de kinderen met een familiair risico langer en intensiever met Bouw! werken voor dezelfde vooruitgang als kinderen zonder familiair risico. Dit onderzoek laat mooi de effecten zien van zowel de omgeving, want extra onderwijs helpt, als van genen, want kinderen met familiair risico hebben meer oefening nodig en ontlopen niet allemaal dyslexie.

Over Dr. Elsje van Bergen

Dr. Elsje van Bergen is Assistent Professor in Biologische Psychologie en verbonden aan het Nederlands Tweelingen Register, beide aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Van Bergen onderzoekt genetische en omgevingsinvloeden op lezen en dyslexie.
Eerder was zij onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam bij Pedagogische Wetenschappen (2008-2012) en aan de Universiteit van Oxford bij ontwikkelingspsychologie (2012-2015). U kunt haar volgen op Twitter: @drElsje

Lexima Magazine

Dit artikel verscheen eerder in het Lexima Magazine, u kunt zich gratis abonneren >>