Wettelijke bevoegdheden bij Centrale Examens

Brief van Mr. Katinka Slump, onderwijsjurist

Dyslexie toetsen en examensDe taakverdeling bij het Centraal Examen in het voortgezet onderwijs is vaak een bron voor misverstanden. Alleen als alle bij het examen betrokkenen zich aan hun taken en bevoegdheden houden is het mogelijk om tot een zo objectief mogelijke wijze van examinering te komen, ook wanneer het gaat om een kind met een beperking. 

Uitgangspunt is de directeur van de school. Hij vertegenwoordigt het schoolbestuur. Het schoolbestuur heeft de vrijheid om te bepalen hoe het onderwijs op school wordt ingericht. Die onderwijsvrijheid van schoolbesturen is vastgelegd in de Grondwet. De overheid heeft afspraken gemaakt met de schoolbesturen die door de overheid worden bekostigd en met particuliere scholen die bevoegd zijn om het Centraal Examen af te nemen. Die afspraken staan in de zogenaamde sectorwet de Wet voortgezet onderwijs (Wvo). In die wet staat dat het eindexamen wordt afgenomen door de rector, de directeur, de conrector, de adjunct-directeur of een of meer leden van de centrale directie en leraren van de school (artikel 29, lid 2, Wvo). Daar begint het examen.

Bij de Wvo hoort een Eindexamenbesluit. Het Eindexamenbesluit geeft een speciale regeling voor het eindexamen. In het Eindexamenbesluit staat dat de directeur van de school kan toestaan dat een gehandicapte kandidaat het examen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van de kandidaat. Het is heel logisch dat in de wet- en regelgeving die bevoegdheid op de school ligt. Immers het docententeam werkt al vele jaren met de leerling en is als geen ander op de hoogte van de gevolgen van zijn beperkingen. Zij kunnen als beste beoordelen wat er nodig is om de leerling, ondanks die beperking, zo goed mogelijk te kunnen beoordelen.

De directeur van de school moet over de aanpassingen die hij zal toestaan de Inspectie van Onderwijsmededelingdoen. Het gaat hier niet om een verzoek om instemming. Immers de inspecteur houdt zich in de regel niet met individuele leerlingen bezig, maar moet wel worden geïnformeerd omdat de inspectie toezicht houdt op de (minimum) kwaliteit van het onderwijs.

College voor toetsen en examensEr is een College voor Toetsing en Examinering. Dat College is ingesteld om het Centrale Eindexamen te organiseren. Het College is onafhankelijk en ontleent haar bevoegdheden aan een speciale wet. Het College bepaalt welke hulpmiddelen door alle kandidaten mogen worden ingezet. Te denken valt aan woordenboeken en rekenmachines. Het College houdt zich niet bezig met de leerling met een beperking, immers daarvoor is er een ander College actief.

Voor leerlingen met een beperking die een doeltreffende aanpassing willen en daarover het met de school niet eens worden, is er het College van de Rechten van de Mens. Dit College ontleent haar bevoegdheden aan de Wet gelijke behandeling bij handicap en/of chronische ziekte (Wgbh/cz). Deze wet is gebaseerd op artikel 1 van onze Grondwet en de Europese Verdragen die discriminatie verbieden. Het College moet er op toezien dat leerlingen met een beperking in het onderwijs en bij de examinering daarvan niet worden achtergesteld. Het College beslist uiteindelijk of een doeltreffende aanpassing nodig is en de school deze aanpassing ook moet verrichten.

Iedereen moet zich aan de Wgbh/cz houden. Dat geldt voor scholen, voor de Inspectie van Onderwijs, de ambtenaren op het Ministerie van OCW en de leden van het College voor Toetsing en Examinering (CvTE).

Het probleem bij doeltreffende aanpassingen is of de leerling met de beperking niet wordt bevoordeeld; men is bang dat met de aanpassingen het examen makkelijker wordt. Daarover gaat vaak de discussie rond deze groep kinderen.

Spelling is onderdeel van de talen die zijn opgenomen als leerdoelen in de wetgeving. Het is de wetgever die bij de formulering van die leerdoelen ook moet toetsen of leerlingen met een beperking, waardoor zij minder kunnen presteren, nog de kans hebben om succesvol onderwijs te volgen. Alleen de Tweede Kamer kan inbreken op de vrijheid van onderwijs van schoolbesturen en aan hen beperkingen opleggen. Dat moet dan wel bij wet. Om die reden wordt de verplichte Cito-toets en de rekentoets ook bij wet vastgelegd. Daarbij moet de Tweede Kamer ook waken voor het recht op onderwijs zoals dat is vastgelegd in artikel 2 EP EVRM en het Kinderrechtenverdrag. Immers zo is dat afgesproken. Als de eisen die worden gesteld aan het centraal eindexamen te belastend worden voor leerlingen met een beperking, dan is er immers strijd met het recht op onderwijs voor ieder kind. De Tweede Kamer kan wetten aanpassen maar moet zelf de internationale verdragen naleven.

Laten we de afspraken volgen, ieder moet doen wat hij mag doen. Alleen dan krijgen de scholen de ruimte om die aanpassingen te doen die nodig zijn om hun leerling te kunnen onderwijzen en in het kader daarvan te zo goed mogelijk te examineren. Voor vragen is het College van de Rechten van de Mens beschikbaar, of de rechter. Het is immers aan hen om de wetten uit te leggen.