Verslagen NDC 2010


Dyslexie: een leerstoornis met ongekend potentieel - Prof. Dr. Aryan van der Leij

Prof. dr. Aryan van der Leij opent als eerste van een reeks sprekers de Nationale Dyslexie Conferentie 2010. In zijn eerste onderwerp besteedt hij aandacht aan de erfelijke component bij dyslexie. In een onderzoek met 84 kinderen uit gezinnen waar dyslexie bij de ouders voorkomt is de kans 4 x zo groot op dyslexie. De grootste klap valt in groep 4 als automatiseren van het lezen aan de orde is en wanneer er sneller gelezen moet worden. Dyslexie kan zich echter ook na groep 4 manifesteren. Niet-dyslectische kinderen uit gezinnen waar dyslexie voorkomt, maken in groep 7 een inhaalslag met woorden lezen, niet met pseudowoorden. Is hier dan toch sprake van een latent probleem? Mogelijk manifesteert de dyslexie zich pas in het Voortgezet Onderwijs.

Op grond van onderzoeksgegevens laat hij zien dat "hoe ernstiger de dyslexie bij de ouder(s) is, hoe groter de kans is op een ernstige dyslexie bij het kind". Opvallend bij ernstige dyslexie is de zwakke rapid naming (benoemsnelheid). Het lijkt dus te gaan om informatie 'snel naar buiten te krijgen'.

Vervolgens bespreekt hij het fenomeen: dyslexie in combinatie met andere leerproblemen (comorbiditeit). Onderzoek met de IDAA (Interactieve Dyslexietest Amsterdam - Antwerpen) op mbo-niveau bij 1410 studenten levert 174 studenten met leerproblemen op waarvan 71 studenten zuivere leesproblemen, 50 met lees- en rekenproblemen, 29 met lees-, reken-, en woordkennisproblemen en 24 met lees- en woordkennisproblemen. Van der Leij is op grond van deze bevindingen van mening dat extra ondersteuning dus niet voorbehouden is aan leerlingen met alleen dyslexie. Ook de andere domeinen verdienen extra aandacht. M.a.w. ze hebben allemaal hulp nodig.

Van der Leij vraagt zich in een onderzoek af of klankhulp bij toetsen helpt?  Bij auditieve ondersteuning bij het lezen (lezen en luisteren bij begrijpend lezen) blijken dyslectici uiteindelijk op hetzelfde niveau te presteren als niet-dyslectici. De conclusie is dat auditieve ondersteuning helpt. Er is echter een groep waar het niet voor geldt. Anderstalige dyslectici die in eerste instantie een andere taal geleerd hebben profiteren er niet of nauwelijks van. Mogelijk raken ze verward doordat de nieuwe klanken interfereren met reeds bekende klanken. Zij ervaren extra problemen in de fonologische representatie. In dit verband geeft hij ook aan dat hij nergens enig wetenschappelijk bewijs gevonden heeft voor een verondersteld positief effect van vergrote teksten. Hij daagt eenieder uit dit aan te tonen.

Tot slot komt hij met een toekomstvisie: een checklist voor het vaststellen van dyslexie. Hij onderscheidt de verschillende domeinen waarop je met toenemende zekerheid een taxatie kunt maken m.b.t. het signaleren van dyslexie en koppelt daar een leeftijd aan: ouder(s) met ernstige dyslexie (op 0-jarige leeftijd); vroege taalontwikkeling (2 jr lft); fonemisch bewustzijn (4jr lft); benoemsnelheid letters/cijfers (5jr lft); letterkennis (6jr lft); achterstand bij het lezen van pseudowoorden (7jr lft); didactische resistentie (8jr lft).

___________________________________________________________

Visies op dyscalculie in samenhang met dyslexie - Dr. Sui Lin Goei

Er heerst onrust in de wereld over de definitie van dyscalculie, volgens spreekster dr. Sui Lin Goei, lector aan Windesheim Hogeschool, lectoraat Onderwijszorg en samenwerking binnen de keten en universitair docentonderzoeker bij het Onderwijscentrum VU. Ook verwarring over de titel van haar lezing vanochtend, die zij toch liever verandert in: 'Samenhang tussen dyscalculie en dyslexie'.

Dyscalculie is een 'jonge' stoornis, die vanaf de jaren '50 meer in de schijnwerpers is komen staan. In 1990 startten veel discussies over dyscalculie, maar na de verschijning van de boeken 'Dyscalculie in discussie' (2006, 2008), blijkt er in den lande nog weinig consensus over deze leerstoornis te bestaan, met als gevolg dat er in 2010 nog weinig handvatten zijn voor de behandelaar.

Er zijn verschillende definities in omloop die een aantal criteria geven, waaraan het rekenprobleem moet voldoen om het als een rekenstoornis te kwalificeren. Sui Lin Goei noemt in dit kader de beschrijvende definitie van Ruijssenaars, Van Luit en Van Lieshout (2004): "Bij dyscalculie gaat het om ernstige en hardnekkige problemen met het leren en vlot/accuraat oproepen/toepassen van reken- en wiskundekennis (feiten/afspraken)". Deze definitie van dyscalculie geeft net als bij dyslexie een beschrijving van de problemen en noemt geen oorzaken of verklaringen. Kinderen met dyscalculie slagen er niet in zich de rekenvaardigheden vlot eigen te maken. Er is bij hen sprake van een beperkte rekengeschiktheid in vergelijking met wat ze kunnen begrijpen van rekenen en/of wiskunde.

Aan de hand van cijfers laat Sui Lin Goei zien dat lees- en rekenprestaties van leerlingen redelijk tot sterk met elkaar samenhangen. Dit voornamelijk op het gebied van automatiseren. Een aantal belangrijke probleemgebieden die door haar genoemd worden zijn: eenvoudige telrijen, het herkennen van rekenkundige symbolen, moeite met het adequaat opstellen en groeperen van getallen bij berekeningen. Een groot probleem blijft, net als bij dyslexie, de automatisering. Automatiseren is het verwerven van procedures die in bepaalde situaties rechtstreeks naar een oplossing voeren. Het gaat dan om het vrijwel routinematig uitvoeren van rekenhandelingen. Dit in tegenstelling tot het memoriseren, dat op het 'uit het hoofd kennen' van rekenfeiten berust.

Sui Lin Goei is voorstander van goede diagnostiek, waarbij voorlopig alleen de Cito-toetsen door de Cotan zijn goedgekeurd en welke uiteindelijk als doel moet hebben een handelingsgericht plan, gebaseerd op de onderwijsbehoefte van de leerling. Dit houdt ook in dat per leerling bekeken moet worden van welke hulpmiddel de leerling het meeste profiteert.

Zij laat ons achter met de metafoor van het restaurant: à la carte, rekenhonger en leestrek.

"U hebt rekenhonger en leestrek en besluit in een restaurant te eten. Na een tijd gewacht te hebben wordt u uitgenodigd te gaan zitten en de ober stelt zich voor. Hij begint u vragen te stellen over uw rekenhonger en leestrek: "Hoe erg heeft u rekenhonger? Hoe lang heeft u het al? Had u vroeger ook al rekenhonger en leestrek? Welke rol speelde rekenhonger en leestrek in uw ouderlijk gezin of familie? Welke nadelen en misschien voordelen heeft het voor u?" Als u daarna nog hongeriger geworden, vraagt te kunnen bestellen en eten, wil de ober dat u eerst vragenlijsten invult over uw rekenhonger. Als dat allemaal gebeurd is, krijgt u een menu voorgeschoteld waar u niet om gevraagd heeft, maar waarvan de ober zegt dat het goed voor u is en vele rekenhongerige mensen heeft geholpen. Hoe groot schat u de kans dat u tevreden uit dit restaurant vertrekt?"

__________________________________________________________

De sociaal-emotionele aspecten van dyslexie - Ellen Loykens

'Gedrag is ook communicatie'
De sociaal-emotionele gevolgen van dyslexie kunnen zich zowel internaliserend (b.v. angst, depressieve gedachten en gevoelens) als externaliserend (b.v. agressie, overactiviteit en ongehoorzaamheid) uiten. Als er sprake is van externaliserend gedrag heeft de leerkracht hier last van, maar de leerling zelf ook! Deze kinderen lopen bijvoorbeeld ook vaak naar de w.c., ze beginnen niet meteen aan hun werk of ze hebben niet gehoord wat er gezegd is.

Over de relatie tussen dyslexie en sociaal-emotionele problemen kan gezegd worden dat de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig zijn. Amerikaanse onderzoeksgegevens zijn niet zomaar relevant voor de Nederlandse situatie.

Bij externaliserende problematiek is bekend dat comorbiditeit met  ADHD de kans op probleemgedrag verhoogt. Internaliserende problematiek bij dyslexie geeft een verhoogde kans op depressieve verschijnselen.

Bij volwassenen met dyslexie lopen de uitkomsten van onderzoek uiteen. Er is geen verhoogde kans op depressieve verschijnselen. De samenhang tussen dyslexie en de sociaal-emotionele aspecten kan op verschillende manieren bekeken worden:

Correlatie: dyslexie komt samen voor met sociaal-emotionele problemen. Causaal: het ene probleem veroorzaakt het andere. Zoals: dyslexie veroorzaakt emotionele klachten of emotionele klachten ontstaan bij het achterwege blijven van hulp. Cumulatief: het neemt toe.

Indien er sprake is van dyslexie en het kind is emotioneel stabiel dan is hierbij de kans klein dat er emotionele problemen ontstaan. Is er sprake van dyslexie en is het kind emotioneel instabiel dan is de kans groot dat er emotionele problemen volgen.

Checkvragen m.b.t. het signaleren van emotionele problemen in relatie tot dyslexie: Doen de emotionele problemen zich op andere terreinen ook voor en op dezelfde wijze?

Hoe verandert het emotioneel functioneren van het kind wanneer het niet meer om lezen of spellen gaat? Bijvoorbeeld: Hoe is het emotioneel functioneren op het schoolplein of thuis?

Hoe ziet een goede behandeling er uit? Er moet sprake zijn van een goede passende, sluitende aanpak. De behandeling gaat uit van de klankstructuur van de gesproken taal en het verband met de geschreven taal en oefent in het geautomatiseerd raken.

Drie factoren van algemene werkzame behandelcomponenten zijn:
1 Goede structurering en opbouw van de behandeling / leesonderwijs.
2 Systematisch stellen van (haalbare) doelen, samen met het kind.
3 Goede kwaliteit van de relatie tussen kind en behandelaar.

Als basis voor een aanpak van emotionele problemen geldt: Werken aan een goede motivatie. Vergroten van probleemoplossend vermogen. Werken aan een goed zelfconcept en verbeteren van attributies m.b.t. falen en succes. Doe dit wel reëel. Zorg voor het ervaren van steun vanuit de omgeving. Zorg ervoor dat er een doorgaande lijn ontstaat.

Het één hangt samen met het andere. Ellen legt dit uit met een concreet voorbeeld: Koen.
-Hij wilde niet komen voor hulp. Bleek niet te vertrouwen dat iemand hem kon helpen om vooruit te komen.
-Was thuis boos en opstandig. Bleek geen vooruitgang te ervaren met herhalend lezen met tijdfeedback.
-Wilde thuis geen woordpakketten oefenen; ruzie met moeder. Thuis oefenen, maar op school nog veel fout.
-Kende geen spellingregels. Bleek zwak taalgevoelig. (manten kranden)
-Moeite met bijvoorbeeld open /gesloten lettergrepen / eind -t /-d  / meervoudsregel.

Genoemde handvatten (Evidence Based): Leer het kind wat korte klanken zijn, wat zijn lange klanken, wat is een klankgroep, wat is het einde van de 1e klankgroep.

Leer en oefen met mij het juiste woord: manden kranten. Koen gaf weerstand in 'wat hij niet kon'! Koen gaf aan wat er met hem moest gebeuren! Hij communiceerde met zijn gedrag. En gedrag is ook communicatie.

___________________________________________________________

Hoe verder met de rijke oogst van acht jaar Masterplan Dyslexie - Albert Cox

Het Masterplan Dyslexie is 8 jaar geleden opgestart met de volgende doelstelling: de protocollen leesproblemen en dyslexie in de klas brengen en de scholen ondersteunen in de aanpak van dyslexie.

Albert Cox, projectleider van Masterplan, gaf aan dat bij deze doelstelling drie woorden van groot belang zijn: willen, weten en kunnen. Masterplan heeft daar zoveel mogelijk op ingespeeld:
Willen: Scholen enthousiast maken voor verdere verdieping in dyslexie door voorlichting dmv folders, brochures en website.
Weten: Het toegankelijk maken van informatie. Dit is gedaan door info op een praktische en veelzijdige manier bij de scholen te brengen o.a. door: het lanceren van een website, het uitbrengen van katernen voor de diverse doelgroepen, het uitgeven van een dvd over ict met veel good-practice voorbeelden.
Kunnen: Kennis en vaardigheden bij scholen vergroten. Dit is gebeurd door het organiseren van conferenties en het aanbieden van een scholingsaanbod voor de diverse doelgroepen.

In 2006 is een eerste evaluatie geweest. Toen werkte 92% van de groepen 1 t/m 4 van Primair Onderwijs met de protocollen en in het Voortgezet Onderwijs 75%. Het is wel goed om je daarbij af te vragen wie er mee werkt en wat er verder mee wordt gedaan. Er moet jaarlijks worden bijgestuurd.

Op de vraag wat er bereikt is, is het niet meer dan logisch ook de leerlingen zelf aan het woord te laten. Zij geven aan:
-       Er is nu meer (h)erkenning en ondersteuning
-       Leerlingen weten beter waar ze aan toe zijn
-       Leerlingen bepalen zelf mede welk hulpmiddel/aanpak het beste bij ze past
-       Er is nu vaker iemand op school die luistert en oplossingen kan aangeven.

In het contact met de leerkrachten zijn de componenten relatie - competentie - autonomie heel belangrijk. Al deze drie aspecten zijn door het inzetten van de protocollen duidelijk gegroeid.

Wat staat er voor 2011 op het programma vanuit het Masterplan: Scholing op het niveau van de samenwerkingsverbanden rondom een aantal thema's. Op 2 december 2010 is in Ede een eerste bijeenkomst om dit van de grond te krijgen. Voor het Primair Onderwijs komen er in januari nieuwe protocollen, waarin vanuit de ervaringen van de afgelopen jaren nieuwe initiatieven, ideeën zijn verwerkt. Samenwerking met Kennisnet en partners om een website te lanceren waarin de diverse hulpmiddelen en aanpakken onder de aandacht worden gebracht. Aandacht voor de relatie onderwijs en gezondheidszorg/verzekeraar.

Albert eindigde met de stelling: de ingezette weg moet worden voortgezet. De leus daarbij is: "Leer van elkaar en met elkaar".

___________________________________________________________

Het draait om het kind. Over zorgtaken, zorgplicht en zorgbeleid - Anneke Smits

Anneke Smits, trajectcoördinator en docent dyslexie-leerproblemen aan Hogeschool Windesheim, heeft als laatste spreker op de Conferentie vanmorgen aan de ontbijttafel nog aanvullende informatie voor haar lezing kunnen vinden: "Passend Onderwijs voor zorgleerlingen is nog niet in zicht" leest zij in haar ochtendblad.

Eerder deze dag kwam er uit de zaal de vraag of een school de Protocollen Dyslexie wel naast zich neer mocht leggen en ook wat de waarde is van de Protocollen als er geen sanctie staat op het niet gebruiken ervan. Waar is de prikkel voor scholen als zij geen of onvoldoende motivatie tonen? Ouders lijken vaak afhankelijk van de welwillendheid van scholen. Maar kunnen zij iets doen aan scholen die zeggen: "Wij doen hier niet aan?" Mag dat zomaar? Het antwoord is volgens Anneke Smits duidelijk: Nee!

Op basis van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, artikel 5b, is onderscheid verboden bij het verlenen van toegang tot onderwijs, het aanbieden van onderwijs, het afnemen van toetsen tijdens het onderwijs en het afsluiten van onderwijs als bedoeld in de Wet op het Primair Onderwijs en de Wet op het Voortgezet Onderwijs. Anneke Smits legt ons uit dat deze wet, ingegaan op 1 augustus 2009, erg onopvallend is gebleven. Echter, deze wet geeft aan ouders een mogelijkheid om tegen de beslissing van de school "Wij doen hier niet aan" of "Wij kunnen deze leerling niet aannemen" in verweer te gaan. Scholen doen er goed aan dit met een helder dyslexiebeleid voor te zijn.

Ook leerlingen met een beperking kunnen door deze wet naar een reguliere school. Het valt daarna onder discriminatie als aan leerlingen met een handicap geen aanpassingen of voorzieningen worden verleend, als leerlingen daarom vragen. De uitsluiting van dyslexie voor vergoeding van passende hulpmiddelen om onderwijs te kunnen volgen, staat op gespannen voet met de strekking van de Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. In dit kader zouden scholen dus niet alleen aangepaste (digitale) boeken moeten leveren, maar ook de software om deze te gebruiken. In relatie tot de maatschappelijke opbrengst zijn de kosten die deze investering met zich meeneemt, slechts een fractie.

Het is nu aan de ouders de afwijzing van school op schrift te vragen - teveel van deze zaken worden 'in de wandelgangen' verteld aan ouders - waarna zij bezwaar kunnen maken tegen de uitspraak. Ouders kunnen hiervoor elke werkdag van 14.00-16.00 uur terecht bij het juridisch spreekuur van de Commissie Gelijke Behandeling. 

Anneke herhaalt de stelling: "Nog te vaak staat bij studenten met een beperking de handicap voorop en worden de talenten waarover zij beschikken onvoldoende onderkend en ontwikkeld, wellicht omdat het niet voor mogelijk wordt gehouden. Er is veel meer succes mogelijk dan nu wordt gerealiseerd, zowel voor het individu, de instelling en de maatschappij" (Advies commissie Maatstaf, 2010).


  • © Lexima
  • Kastanjelaan 6
  • 3833 AN Leusden
  • Tel 033-4324452
  • Fax 033-4324453